Bij het wakker worden
van die eerste voorjaarsochtend
en de warmte van de eerste zonnestraal.
De sneeuw was allang verdwenen
en het bonte bloemendekbed  verraste ons allemaal.
De draden van het spinnenweb
speelden op de wind.
Een geboortelied.
Druppels beschenen door de bleke zon,
glinsterden als diamanten.
't Laatste winterverdriet.
De lentenevel verzoette de koeien
die graasden in het natte ochtendgras,
alsof deze dag,
een dag van nieuw leven,
het beste werd wat me overkomen was.
Bij het bosvennetje nam je mijn hand.
Kuste me en zei zachtjes:
"Ik hou van jou."
Ik zag de warmte in jouw blauwgroene ogen
en dronk van jouw libelledauw.

Het regent.
Toen ik klein was
zeiden ze: "De wolken huilen."
Ik haat regen.
Het maakt me nat,
koud,
grijs.
Tikkend op het dakraam,
me 's nachts wakker houdend.
Hatelijk.
Kijk, de hemel heeft geen tranen meer.
Ik waag me buiten.
Stilte.
Ik ruik het nat zijn.
De wind die de druppels van de bladeren waait.
De aarde,
het leven,
alles schoongewassen.
Nieuw.
Ik sluit mijn ogen om beter te kunnen zien.
Kom maar op, regen.
Ik haat je niet meer.
Toon me de echte kleuren van de natuur.
Geen regenboog.
Zon, laat me even met rust.
Laat me nat worden.
De geur van groen opsnuiven.
Laat me even leven.

De zee,
mijn voeten omhullend.
Zachtjes strelen zijn golven elke teen.
De wind,
teder mijn wangen kussend.
Mijn haren worden ondergedompeld
in een frisse zoute geur.
De meeuwen,
zwevend over zand en zee.
Hun krijsen vult de lucht met magie
Ik sluit mijn ogen en spreid mijn armen
voelend dat ik leef.

Jij  had mij gevangen,
gevangen in een glas.
Ik fladder een beetje heen en weer.
Jij keek en bestudeerde,
zelfs begon jij tegen mij te praten.
Ik hield jou goed in de gaten.
Jij tikte tegen het glas om te kijken of ik nog in leven was.
Jij stond op en nam mij mee in het glas.
Wou dat ik hieruit was.
Ik kreeg haast geen lucht en begon te trillen.
Zachtjes tilde je het glas van mij af
en zo dat ik weer vrij als een vlinder was.

Wat een zooi in het dierenrijk.
Zo raken wij de mooiste dieren kwijt.
Olifanten schieten ze kapot.
Stroper die de slagtanden verkocht.
Pandaberen in bomen,
luiaards hangen ondersteboven.
Dieren zijn belangrijk in onze natuur.
Mensen moeten weten wat er gebeurd
als deze dieren worden doodgeschoten.
Onze natuur gaat zo naar de klote gaat
en de stroper er met de buit  vandoor gaat.
Deze dieren hebben ook het recht op een leven.
Net als wij, wij kunnen niet zonder deze dieren.
Wat zal er gebeuren als deze dieren niet meer zullen leven?
Denken jullie dan op een beter leven?
Hun geen leven, ons leven zal niets meer wezen.
Stropers die dit veroorzaken,
die mogen ze van mij part af maken.
Net als hun doen bij de dieren.
Celstraf helpt niets.
Leven de dieren, leven wij.
Laat de dieren vrij!
Geef hun de natuur terug,
laat deze dieren met rust.
Ze hebben ons niets gedaan
als ligt de savanne nogal ver van ons vandaan...

Het regende de hele dag.
Wij waren heerlijk op pad,
lopend door het bos.
De gure wind maakte alles kapot,
regen kletterde neer
op de bospaden steeds meer.
Natte bladeren onder onze voeten.
Takken waaiden, zodat de bladeren ervan af waaiden.
Kleuren zijn nu zo mooi,
Wij liepen samen hand in hand door de bossen.
Mos drassig en het sopte onder je schoenen.
Het begon steeds harder te regenen,
maar wij hadden geen probleem.
De honden waren heel erg vrolijk,
die dartelden overal heen
genietend van de omgeving.
Bladeren op de zachte bosgrond,
hobbels en weggewaaide takken,
wortels uit de grond.
Huppelende haasjes verward overal rond.
Kaal en toch zo mooi, bossen in de herfst.
wandelend in de regen.
Natte bos paden en hobbelwegen.
Wat is de natuur toch mooi.
Of het nu in de zomer is
of welke tijd van het jaar,
in de bossen lopen is niet raar.
Hier kom je tot rust
en geestverruimend dus.

Het regende de godganse dag.
Jij die naar mij door de regen mag.
Jij die dacht aan een regenpak.
Jij pakte je fiets, je trapte je rot
door de regen, jij was helemaal kapot.
Regen werd harder en goot uit de hemellucht.
Jij moest verder en gaf een zucht.
Jij moest door en nog heel stuk.
Regen o regen, hij was helemaal stuk.
Zij staat te wachten, droog en warm.
Toen hij bij haar aan kwam
kreeg jij het weer warm.
Zij droogde jouw haren.
Zij pakte een badjas
die niet van jou was.
Hij zat te klappertanden van de kou.
Zij gaf hem een kopje koffie
en riep: "Ik hou van jou."
Het regende maar door,
het werd steeds erger hoor.
Eindelijk was hij droog.
Toen hij weer opstapte op zijn fiets
en zij zei niets.
Hij zwaaide haar gedag.
Zij dacht: "O, wat een dag.
Wou dat ik met hem door de regen mag.
Samen lekker nat, heerlijk lijkt mij dat."
En samen elkaar drogen,
zag zij voor haar ogen.
Droomde zo verder op een regenachtige dag.
Stond nog steeds voor de ramen.
Regen tikte hard.
Droom maar verder beste meid,
morgen is de regen weer voorbij.

Schijnt 's nachts
en is ver hier vandaan.
Sterren vonkelen
om hem heen.
Zag een lach
die op de maan verscheen.
Het duurt uren,
voordat de zon het van hem overnam.
Donker zal het nooit zijn,
zodra de maan verschijnt.
Miljoenen sterren lichten hem bij,
zodra de zon achter de horizon verdwijnt.

Meer gedichten