1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
De waterfile lacht eerbiedig
naar de oude wijze eik
en zijn trouwe visser
die bladerend tegen herfstwinden,
kreunend om zijn hard gelag,
de waanzin gade slaat
van een gekte dezer mensheid
en als vastgeroeste toezichthouder
nooit zijn uitkijkpost verlaat.
De waterfile kust de horizon.
In zijn kielzog snijden de hekgolven.
Stukken uit de fundering slijtend
van de eeuwen oude eik aldaar die
met zijn visser, deinend in meewarigheid,
op de ritmes van zijn tijdslijn
de vergroeide reus daar zuchtend groet
als het baken van de helderheid.