Dieren

Dag m'n vriendje mijn.
Dag m'n lieffie klein.
Je was al heel snel moe
en sloot je kleine oogjes toe.
Dag m'n rare gekkie.
Dag mijn lieve Vlekkie.
Ik heb veel met je gespeeld
en me nooit met je verveeld.
Dag m'n lieve kameraad.
Nu je mij zo eenzaam achterlaat
zeg ik nog een keer tegen jou,
dat ik altijd van je hou.

Zoals je ziet en hoort,
dat er veel dieren worden vermoord
of vreselijk worden toe getakeld.
Wat voor achterlijke lui zijn het eigenlijk?
Hebben die geen gevoel wat ze een ander hiermee aandoen?
Mensen die hun dieren hierdoor verliezen
en hebben hier door ook heel veel verdriet.
Weten ze niet dat zo'n diertje niets terug kan doen?
We hebben wel lef, lef om zo'n diertje te vermoorden.
Hun hebben hun verstand verloren.
Mag het niet zeggen, maar zulke gasten hadden
niet geboren mogen worden.
Die enkel dieren weten te vermoorden.
Dieren hebben eigenlijk meer recht op een leven
dan wij als mens,
want wij maken zelf alles kapot in ons mensenleven.
Wij kunnen eigenlijk nog een hoop leren
van de dieren...hoe gek het ook mag klinken.
Maar dit moet bij mij toch eerst bezinken.
Ik hoop dat dit snel veranderd,
want zo als je weet is er veel dierenleed.
Ik hou van dieren, meer dan van een mens,
want van een mens kan je er nooit van op aan.
Of ze wel eerlijk tegen over je staan...

Mijn liefde
voor mijn hond.
voel dat zij voor mij stond.
Parmantig als wat,
mijn hond.
Je bent een schat.
Jij speelt nog als een jonge pup.
Mijn lieve hond,
jij geeft mij zoveel plezier.
Van mij word jij 20 jaar oud.
Jouw komst in mijn leven,
dat heeft mij nog nooit berouwd.
Om voor jou te zorgen
is net als de dag van morgen.
Door jou vergeet ik mijn zorgen.

Ik had een hond,
ook wel een kroket genoemd.
Zij was een lieve meid,
die veel heeft meegemaakt.
Zij werd ziek toen ze een half jaar oud was.
Wij schrokken, wisten niet wat zij had.
Haar ogen begonnen gek te draaien,
schuim uit haar bekkie en viel zo maar neer.
Iedere dag weer naar de dierenarts met haar gegaan
en die vertelde ons dat zij aan epilepsie lijdde
en dat wij er wel mee uit moest  kijken.
Zo is ze doorgegaan, het werd steeds erger,
maar zij gaf het niet op.
Toen kreeg ze er nog een hernia bij.
Zo'n diertje dat je niets kan vertellen
en er toch altijd er was voor mij.
Zij heeft veel voor mij betekent
en voor haar viertiende jaar werd zij zo ziek,
dat wij haar moesten laten inslapen.
O, wat was ik ziek,
maar zij was uitgeknokt.
En wij hebben de dierenarts verzocht:
"Laat haar maar inslapen."
Al waren wij met ze allen erg aangeslagen.
Huilen van verdriet, omdat je haar niet meer ziet
en niet meer met haar kan kroelen, spelen en naar buiten gaan.
Maar zij heeft haar rust gevonden.
Dag mijn lieve Wysky.
Rust zacht, mijn schat.

He halllo,
ik ben stampertje.
Ik zit hier in mijn kooi,
ben heel erg mooi.
Ik hou van lekker rennen
en stampen als het moet.
Ook hou ik van verwennen
als ik bij het vrouwtje moet.
Ik knaag graag aan een blaadje
en een wortel zo nu en dan.
Mijn lieveling kostje is chocolade,
van een lepel als het moet.
Lust ook graag water,
maar zo nu en dan
drink ik wel eens wat bier
van mijn baasje.
Soms dan ben ik in een jolige bui.
Dan pak ik een kussen.
Dan rij ik erop los.
Ik zal je het nu maar even zeggen,
ik ben een konijn
en dat vind mijn baasje
wel heel erg fijn.

Over de grote oceaan
die ligt ver hier vandaan.
Vissers op zee,
de meeuwen dansen boven hun boten mee.
Met vis in hun snavels
gingen ze terug naar hun nesten,
waar de jonkies zitten te wachten.
Het was een drukte van je welste in de nesten.
Wie krijgt het eerst ,en wie de resten.
Snaterend en in protest
gooide de oudste de jongste uit het nest.
Pa die dit zag
gaf de oudste een klap
en waarschuwede hem:
"Nog een keer, dan volg jij hem."
Ze werden groter en groter
en op een dag namen hun ouders hen mee naar de vissersboten.
Zo werd hen geleerd om op de vissersboten te landen
en wat vis van hun weg te jatten.
Vissers over de oceaan,
meeuwen gaan achter deze vissers aan.

Ik had een hond, hij heette Flip.
Dat was een rare snuiter.
Je kon wel zeggen: "En gek geval, een echte flierefluiter."
Zijn oren hingen op de grond,
zijn neus had grote gaten.
En als ik met hem buiten ging,
hoorde je idereen erover praten.
Hij had een mooie bruine vacht
en ook wat zwarte vlekken.
En ja op zijn oor, ja het is heus waar,
daar zaten rare plekken.
Maar verder was het best een schat.
Hij was enkel een beetje gek.
Oja en dat vergat ik, een wratje in zijn nek.
Kwam ik laat thuis dan begroette hij me
alsof ik jaren was weg geweest.
Dan gaf ik hem een koekje,
dat was voor hem dan feest.
Ik pakte dan zijn riem
en nam hem mee naar buiten.
Dan werd hij o zo vreselijk blij
en beet speels in mijn kuiten.
Na wat te hebben gelopen,
was ik toch echt wel moe,
maar hij wou verder spelen,
wou echt niet naar huis toe.
Dan liep hij maar te zeuren
en keek me intens aan.
Zo van: "Naar huis weer toe?
ik heb nog niets gedaan."
Eindelijk dan weer thuis,
mijn jas maar uitgedaan.
En dan op kousevoeten,
maar naar mijn bed gegaan.
Maar hee dat was niet eerlijk,
Flip had mijn bed ingepikt.
En hoe ik dan ook zei: "Verdwijn."
Mijn hand steeds maar gelikt.
Zijn kop dan op het kussen,
keek hij me treurig aan
alsof hij mij wou zeggen:
"waarom moet ik nu gaan.
Ik was alleen de hele dag.
Heb op het huis gepast.
Op alle mooie spullen,
ook die van in de kast.
Want daar lag ook mijn eten,
daar komt echt niemand aan.
Want als ze dat proberen,
dan is`t met hun gedaan."
Nu moest ik eerlijk zeggen,
dat is ook echt wel waar.
Want hoe laat ik ook thuis kwam,
Flip was altijd daar.
Ik ben toen maar gaan slapen
met Flip naast mij in bed.
Ik zal het hem niet zeggen,
maar toch had ik wel pret!

Er lagen vier poesjes in een mand
met hun kopjes over de rand.
Ze keken om hun heen,
totdat er een knot wol verscheen.
Poesjes sprongen erop af
en ze wikkelden de knot wol helemaal af.
Poesjes op de bak
en ze groeven op hun gemak,
zodat met alle geweld het kattengrit eruit is gegaan.
Waar komen al die poesjes vandaan?
Hadden ze ook een naam?
Ze waren gevlekt,
ze doen aardig hun best.
Poesje aan een fles,
ze spelen als een gek.
Moeder komt eraan
en miauwde: "Kom achter mij aan."
Al spelend renden ze mee
en toen sliepen er nog maar twee.
En voor je het weet, het is toch ook zo'n scheet,
poesjes in de mand.
Moet je eens zien,
heel parmant,
met hun pootjes over de rand.
Moeder telde haar kids
en zag dat er twee van missen.
Zoekend om haar heen
zag zij onder de kast
haar laatste twee.
Zij pakte ze beet
en bracht ze naar de andere twee
die lagen te wachten
op broer en zus.
Zo had de moeder later even wat rust.

Bumper, onze grote lieve zwarte New Foundlander.
Met je trouwe bruine ogen
kijk je mij zo treurig aan.
't Waarom staat te lezen in je ogen.
"Waarom heb je me weggedaan?
Ik was toch best een brave hond,
deed nooit eens wat verkeerd.
Als de honden in de buurt me riepen was ik stil...
Gaf nooit een hap naar anderen,
ook al gaven zij een gil
Ik ben altijd erg waaks geweest.
Al ging ik inbrekers al kwispelend tegemoed...
Vertel me nu eens, lieve baas,
wat deed ik dan niet goed?
In mijn trouwe bruine ogen staat te lezen,
wat voor pijn je een huisdier doet...
Weggedaan, niet meer gewenst
in mijn oude trouwe huis.
Niet meer spelen met je kindjes.
Dat voelt voor mij niet pluis.
Ik heb het bij mijn nieuwe baas
echt reuze naar mijn zin.
Maar jij, mijn oude vreemde baas,
komt mijn tuin zeker niet meer in.
Het vrouwtje en de kinderen,
hun mis ik nog het meest.
Als ik hun ooit nog tegenkom
vertel ik ze hoe verdrietig ik ben geweest.
En in mijn hart vier ik dan feest,
omdat het even, zo heel even dan,
is zoals het ooit is geweest!